De deelnemingsvrijstelling is een van de belangrijkste regelingen binnen de Wet Vpb 1969. De regeling is op 1 januari 2010 opgenomen in dertien bepalingen. Aan elk van deze dertien bepalingen (art. 13, 13a t/m 13k) wordt in Deelnemingsvrijstelling een afzonderlijk hoofdstuk gewijd. Het belangrijkste artikel – art. 13, waarvan de tekst met ingang van 1 januari 2007 werd herzien (Wet werken aan winst) – wordt in vijf hoofdstukken behandeld. Ieder hoofdstuk vermeldt het overgangsrecht (indien van toepassing) en de wetsgeschiedenis van de desbetreffende bepaling. Aan de orde komen onderwerpen als: de vereisten voor de deelnemingsvrijstelling; het regime van de laagbelaste beleggingsdeelneming (2007 t/m 2009); het regime van de (niet-kwalificerende) beleggingsdeelneming dat per 1 januari 2010 is ingegaan; nabetalingen (earn-outregelingen, balansgaranties); aan- en verkoopkoopkosten; compartimentering; liquidatieverliesregeling; Falconsarrest (opties op deelnemingen); omzetting verliesgevende vaste inrichting in deelneming; omzetting, kwijtschelding en vervreemding van afgewaardeerde vorderingen. Waar mogelijk worden de raakvlakken met het fiscale-eenheidsregime behandeld en de reorganisatiefaciliteiten (bedrijfsfusie, splitsing en juridische fusie). De uitgave is praktijkgericht en bevat een groot aantal uitgewerkte voorbeelden en casusposities.