Jean-Baptiste Grenouille overleeft de mazelen, dysenterie, waterpokken en cholera. Als vondeling achtergelaten achter een walmende viskraam in het Parijs van 1738, weet hij niet wat moederliefde of aandacht van een vader is en hij heeft er ook geen behoefte aan. Hij is gevoed door voedsters die het allemaal niet lang met hem aan de borst uithielden: hij was te gulzig en je rook hem niet. De onmiskenbare geur van zuigelingen ontbrak bij hem.