In De salon van 1845 treedt Baudelaire voor het eerst naar voren als kunstcriticus met een eigen, herkenbare stem. Hij bespreekt de kunstwerken die dat jaar in de Parijse Salon werden getoond, maar gebruikt de gelegenheid vooral om zijn ideeën over kunst in het algemeen uiteen te zetten. Volgens hem moet kunst meer zijn dan een getrouwe weergave van de werkelijkheid: ze moet emoties oproepen, de verbeelding prikkelen en een persoonlijke visie laten zien. Baudelaire richt zich kritisch op de academische kunst, die hij te conventioneel en te voorspelbaar vindt. Hij waardeert daarentegen kunstenaars die zich durven losmaken van tradities en die originaliteit en innerlijke kracht laten spreken. Zijn oordelen zijn vaak scherp en uitgesproken, maar altijd ingegeven door een diepe overtuiging dat ware kunst vernieuwend en bezielend moet zijn. Het essay is meer dan een overzicht van schilderijen: het is een manifest voor een nieuwe benadering van kunst. Baudelaire legt de nadruk op de relatie tussen kunstenaar en publiek, en op het vermogen van kunst om schoonheid en emotie te onthullen. Met De salon van 1845 zette hij de toon voor zijn latere kritieken en kondigde hij zijn rol aan als een van de meest invloedrijke kunstbeschouwers van zijn tijd.